Genetische diversiteit

Wat verstaan we onder genetische diversiteit.

Als je naar de mensen om je heen kijkt, dan zie je veel verschillen in o.a. huidskleur, lengte en haarkleur. Deze verschillen worden “variatie” genoemd. Die variatie in uiterlijk wordt (ten dele) veroorzaakt door genetische verschillen tussen deze mensen. Er is dus “genetische variatie”.

Deze genetische variatie of diversiteit is dus het bestaan van verschillen (variatie) in het genetisch materiaal van een populatie. De genetische diversiteit leidt er toe dat er binnen een populatie van een bepaalde diersoort verschillen voorkomen,  waardoor in feite elk individu uniek is.

De mate waarin binnen een populatie voldoende variatie voorkomt, is cruciaal, omdat ze het aanpassingsvermogen bepaalt. Hoe groter de genetische diversiteit van een populatie, hoe beter ze zich kan aanpassen aan wijzigende milieufactoren zoals epidemieën, ziektes, vervuiling en  klimaat.

Omgekeerd geldt hoe geringer deze diversiteit, hoe groter de uniformiteit van de populatie en de kans dat ze zich niet zal kunnen aanpassen aan nieuwe levensomstandigheden en dus op termijn de mogelijkheid bestaat dat ze zal uitsterven.

Een dier dat zwaar ingeteeld is, heeft zelf weinig genetische variatie, ook voor zijn zogenaamde gezondheidsgenen en zal sneller ziek worden door allerlei infecties.

Wat zijn de oorzaken van een dalende genetische diversiteit?

Eén van de belangrijkste oorzaken voor een dalende diversiteit, is het toepassen van “te” nauwe inteelt. Inteelt ligt aan de basis van het ontstaan van vele rassen. Met inteelt kunnen immers de gewenste eigenschappen van een ras vastgelegd worden.

Een andere zeer belangrijke oorzaak is het veelvuldig inzetten van dezelfde reuen, die dan vaak ook nog met elkaar verwant zijn, binnen een populatie. Dit noemen we de zogenaamde kampioencultuur. Het aantal nakomelingen van een reu is theoretisch onbeperkt. Het veelvuldige gebruik van een reu zal een daling van de diversiteit met zich meebrengen, maar aangezien er veel nakomelingen zijn is de kans groot dat er onder die nakomelingen ook enkele kampioenen geboren worden die op hun beurt opnieuw veel gebruikt zullen worden. Dit kan leiden tot een verdere drastische daling van de genetische diversiteit van een populatie.

Ook het uitsluiten van een groot deel van de populatie voor de fok kan negatieve gevolgen hebben voor de diversiteit van de populatie. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer men selecteert tegen een bepaalde afwijking of voor een bepaald kenmerk.

De meeste fokreglementen die rasverenigingen opstellen, bevatten een of meerdere fokuitsluitende maatregelen. Maar we stellen vast dat deze fokuitsluitende maatregelen meestal inefficiënt zijn en perverse effecten hebben op de diversiteit. Individueel fokverbod is dus uit den boze. In opleidingen (diergeneeskunde, dierenzorg en fokkerij) wordt nog vaak geadviseerd om aangetaste dieren en ook niet aangetaste verwante dieren niet meer te gebruiken voor de fokkerij. Zij stellen zich geen vragen over de effecten van deze adviezen op de gezondheid van de populatie en de volgende generatie dieren.

ban5

Wat is het begrip “effectieve populatiegrootte”?

Een belangrijk begrip binnen de genetica is de effectieve populatiegrootte. Een populatie met 10.000 honden en een effectieve populatiegrootte van 40 wil zeggen dat deze 10.000 honden evenveel genetische diversiteit vertonen als een ideale populatie van 40 honden.

Er bestaat een verband tussen de stijging van de inteelt doorheen de jaren en de effectieve populatiegrootte. Snellere toename van de inteelt gaat samen met een kleine effectieve populatiegrootte.

Een ondergrens voor effectieve populatiegrootte is 50, een veilige grens is 100. De effectieve populatiegrootte van een ras bepaalt het voortbestaan op langere termijn.

In een populatie waar de effectieve grootte meer dan 100 bedraagt, kunnen de fokkers selecteren op eventuele afwijkingen in de populatie.

Ligt de effectieve populatiegrootte tussen de 50 – 100  dan moeten de selectiecriteria versoepeld worden. Strenge selectiemaatregelen kunnen immers de diversiteit snel doen dalen.

Is de effectieve populatiegrootte kleiner dan 50, dan is de minste vorm van menselijke selectie af te raden. Vijftig is immers de limiet van de leefbare populatie.

We moeten concluderen dat zelfs bij de rassen met een effectieve populatiegrootte  > 100 we vandaag teveel aandoeningen met meestal een te hoge prevalentie hebben om een individueel fokverbod in te voeren.